Puberteit

Het woord “puberteit” is een afgeleide van het Latijnse woord “pubescere”, dit betekent ‘bedekt zijn met haar’. Deze definitie komt voort uit de ontwikkeling van haargroei in de schaamstreek, onder de oksels en op de benen. “Puberen” kan als werkwoord gebruikt worden voor de manier waarop jongeren zich ogenschijnlijk onvoorspelbaar gedragen en zich tegen het gezag van opvoeders verzetten.

Tijdens de puberteit wordt het kind zelfstandiger en onafhankelijker van de gemeenschap waar het opgroeide. Sterke en plotselinge stemmingswisselingen zijn niet ongewoon. Het vermogen abstract te denken ontwikkelt zich. Interesse aan seksualiteit ontstaat.

Hoewel de leeftijd waarop de puberteit begint per persoon verschilt, begint het bij meisjes gemiddeld 1 tot 2 jaar eerder dan bij jongens (de puberteit begint bij meisjes tussen de 9 en de 14 jaar en bij jongens van 10-17 jaar). Ook verloopt de ontwikkeling bij meisjes sneller. Meisjes bereiken hun volwassen lengte en zijn geslachtsrijp na ongeveer vier jaar na het verschijnen van de eerste secundaire geslachtskenmerken. Jongens daarentegen, doen er zes jaar over en groeien relatief langzamer.

Bij mannen is testosteron, een androgeen, het belangrijkste hormoon. Testosteron zorgt voor vrijwel alle mannelijke secundaire geslachtskenmerken, maar een bijproduct ervan is oestradiol. Echter, de hoeveelheid neemt later en langzamer toe dan bij meisjes. Jongens zijn ongeveer 2 cm kleiner dan meisjes voor het begin van de puberteit, maar volwassen mannen zijn gemiddeld 13 cm langer dan vrouwen. Dit verschil ontstaat door het relatief late begin en langzame ontwikkeling van jongens. Dat wordt op zijn beurt weer veroorzaakt door de langzame toename van oestradiol.

Het belangrijkste hormoon bij de ontwikkeling van meisjes is oestradiol, een oestrogeen. Oestradiol zorgt voor de groei van de borsten en de baarmoeder. Het zorgt ook voor de groei van het lichaam in het algemeen. De hoeveelheid oestradiol neemt sneller toe en bereikt hogere concentraties dan bij jongens.